Energietransitie

Energietransities: historisch energieverbruik in Nederland

Het verbruik van energiebronnen verandert in de loop van de tijd. In het historische energieverbruik in Nederland zijn verschillende energietransities te onderkennen. Onderstaande figuur geeft het totale primaire energieverbruik in Nederland per hoofd van de bevolking per dag voor de laatste twee eeuwen [CBS Statline].

Grafiek van het historische energieverbruik in Nederland van 1800 tot 2016 per energievorm

In het begin van de 19e eeuw werden vooral turf en hernieuwbare ofwel duurzame energie als energiebron gebruikt voor de energievoorziening. Turf werd, naast kolen, voor verwarming gebruikt. Turf werd in Nederland gewonnen. Hernieuwbare energie werd gebruikt in de vorm van spierkracht en wind- en watermolens. Spierkracht werd vooral gebruikt voor transport (paard en wagen). Wind- en watermolens werden gebruikt in industriële processen.

De ontwikkeling van de kolengestookte stoommachine in het midden van de 19e eeuw had een energietransitie tot gevolg. Steenkool werd de voornaamste energiebron en verving langzaam maar zeker de inzet van hernieuwbare energie voor industriële processen en voor transport. In dezelfde tijd nam ook het belang van turf voor verwarming af omdat de turfvoorraden uitgeput raakten. In plaats daarvan werd steenkool ook voor verwarming ingezet.

Met de ontdekking van de verbrandingsmotor in het begin van de 20e eeuw kwam een motor beschikbaar die een groot vermogen kon leveren bij een relatief klein gewicht. Dit had ook een kleine energietransitie tot gevolg. De verbrandingsmotor loopt op aardolie in de vorm van benzine of diesel. Door het gebruik van de verbrandingsmotor begon het aandeel aardolie in het energieverbruik toe te nemen ten koste van steenkool. Het tijdelijke effect van de twee wereldoorlogen rond 1915 en 1943, op het energieverbruik, is in de grafiek ook duidelijk zichtbaar.

Vanaf het midden van de 20e eeuw trad een dubbele energietransitie op. Steenkool werd meer en meer verdrongen door olie vooral voor transport. Door de ontdekking, in 1959, van de aardgasbel onder Slochteren in Groningen nam het aandeel van aardgas sterk toe ten koste van het kolenverbruik. Het aardgas werd vooral gebruikt voor verwarming en voor industriële processen. Het gebruik aan steenkool nam na 1980 weer wat toe, vooral om elektriciteit op te wekken. Dit was het gevolg van de oliecrises en de wens voor diversificatie van primaire brandstoffen. Eind 20e eeuw werden dus vooral fossiele brandstoffen gebruikt voor de energievoorziening in de vorm van aardolie, aardgas en kolen.

In de bovenstaande figuur is te zien dat het primaire energieverbruik, vooral vanaf 1950, sterk is toegenomen als gevolg van de gestegen industriële productie en de toegenomen welvaart. De stijging werd vanaf 1970 onderbroken door de eerste (1974) en tweede (1979) oliecrisis. Vanaf medio jaren tachtig neemt het energieverbruik echter weer toe alhoewel minder snel als tussen de jaren zestig en zeventig. De figuur geeft ook aan dat de toename van het energieverbruik vooral wordt veroorzaakt door een toename van het aardolieverbruik (verkeer en vervoer) en het aardgasverbruik (verwarmen bij industrie en huishoudens). Na 2000 neemt het energieverbruik af. Deze afname is deels een gevolg van de lagere economische groei en deels het gevolg van energiebesparende maatregelen. Het energieverbruik voor verwarming neemt af vooral in de gebouwde omgeving en in de landbouw. In de figuur is ook te zien dat het aandeel hernieuwbare energie de laatste jaren weer begint toe te nemen. In 2016 was het aandeel van de in Nederland opgewekte of gebruikte hernieuwbare energie 6% van het binnenlands bruto energetisch eindververbruik.

Het totale primaire energieverbruik in Nederland ligt in 2016 op 505 MJ per dag, per hoofd van de bevolking. De tabel geeft aan wat dat betekent voor het verbruik van drie verschillende energiebronnen; aardgas, elektriciteit en benzine.

Energieverbruik in 2016 in Nederland
Energieverbruik per hoofd bevolking, per dag
505   MJ per hoofd, per dag
16   m3 aardgas, per hoofd, per dag
140   kWh elektriciteit, per hoofd, per dag
15   liter benzine, per hoofd, per dag

Het gemiddelde verbruik per hoofd van de wereldbevolking lag in 2007 op ongeveer 210 MJ per dag. In Nederland verbruiken we dus ongeveer twee tot drie maal zo veel als de gemiddelde aardbewoner. Een verbruik van 210 MJ per dag komt overeen met het energieverbruik van een Nederlander aan het einde van de vijftiger jaren, op het punt dat het energieverbruik drastisch begon toe te nemen als gevolg van het toenemen van de welvaart.


Tijd voor een volgende energietransitie?

Het is nu tijd voor een volgende energietransitie: van fossiele brandstoffen terug naar hernieuwbare energie. In bovenstaande figuur is te zien dat hernieuwbare energie in Nederland langzaam weer een, vooralsnog kleine, rol begint te spelen in de energievoorziening. Het aandeel hernieuwbare energie stijgt. In de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie uit 2009 is vastgelegd dat in 2020 voor Nederland het aandeel uit hernieuwbare bronnen 14% moet zijn van het bruto energetisch eindverbruik van energie. Het huidige aandeel van 6% in 2016 is nog ver verwijderd van de streefwaarde van 14% in 2020. Hernieuwbare energie wordt nu vooral opgewekt met biomassa en windenergie. Het aandeel fossiele energie in de energievoorziening ligt in 2016 rond de 470 MJ/hoofd/dag, ongeveer 92%. Gezien de schadelijke gevolgen van het verbruik van fossiele brandstoffen moet het aandeel fossiele energie in de komende jaren sterk afnemen ofwel het aandeel duurzame energie moet sterk toenemen. Maar dat zal wel 'moderne' hernieuwbare energie zijn, in een andere vorm dan in de 19e eeuw.