Maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen

Energieverbruik en broeikasgassen

De uitstoot van broeikasgassen wordt vaak alleen gerelateerd aan het energieverbruik. Dat is in zoverre juist dat het huidige energieverbruik een belangrijke bijdrage aan de broeikasgasemissie geeft. Dat komt echter omdat vooral fossiele energie wordt ingezet om in de energiebehoefte te voorzien en dat gaat gepaard met kooldioxide emissie. Als alle energie uit hernieuwbare energiebronnen komt dan is er geen energieprobleem omdat het energieverbruik dan niet meer gepaard gaat met de uitstoot van kooldioxide.

De uitstoot van broeikasgassen door gebruik van fossiele brandstoffen verhoogt de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer. Dit versterkt het broeikasgaseffect met als gevolg dat de gemiddelde temperatuur op aarde stijgt. Op zijn beurt leidt dat tot klimaatverandering met op den duur zeer nadelige gevolgen voor de menselijke samenleving en voor de natuur. Er zijn twee manieren om daar mee om te gaan:

  • aanpassen aan de hogere temperaturen en de ermee gepaard gaande klimaatverandering,
  • beginnen met het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen.

De eerste manier is in feite geen optie. Er zijn nog genoeg fossiele brandstofvoorraden om de CO2-concentratie tot zeer grote hoogte te laten stijgen. Een sterke stijging van de aardse temperatuur, met ernstige consequenties, kan alleen worden voorkomen door de emissie van broeikasgassen te verminderen.

Er zijn drie redenen om te streven naar een energievoorziening die minder afhankelijk is van fossiele brandstoffen. Behalve de zorg om de invloed op het klimaat zijn er nog twee andere redenen. De drie redenen om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen zijn:

  • het tegengaan van klimaatverandering,
  • de eindigheid van voorraden fossiele energiebronnen,
  • het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele energie afkomstig uit politiek instabiele regio's.


Waar blijft de uitgestoten kooldioxide?

Door het gebruik van fossiele brandstoffen als energiebron wordt kooldioxide uitgestoten. In 2016 was de jaarlijkse emissie van kooldioxide door het verbranden van fossiele brandstoffen 38 miljard ton CO2. Gelukkig blijft deze kooldioxide niet allemaal in de atmosfeer achter. Ongeveer 57 procent wordt opgenomen door de oceanen of is vastgelegd in planten en bomen van. De rest van de kooldioxide is in de atmosfeer gebleven en draagt bij aan het broeikasgaseffect. Er zijn maatregelen nodig om de stijging van het kooldioxidegehalte in de lucht tot staan te brengen om de schadelijke gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Deze maatregelen komen vooral neer op een vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen [IPCC].


Internationaal klimaatbeleid

IPCC. De invloed van broeikasgas op het klimaat is een wereldwijd probleem. Het vergt dan ook een wereldwijde aanpak om de schadelijke gevolgen van het broeikasgas tegen te gaan. In 1988 werd het International Panel on Climate Change (IPCC) opgericht door twee VN-organisaties; de World Meteorological Organization en het United Nations Environment Programme. Het IPCC heeft tot doel de inbreng van verschillende wetenschappers, met betrekking tot het klimaatprobleem, bij elkaar te brengen. Dit moet leiden tot een gedeeld inzicht in de effecten van het broeikasgas op het klimaat en moet een basis geven aan de internationale klimaatonderhandelingen. Uiteindelijk is het doel om te komen tot internationaal klimaatbeleid waarin maatregelen worden voorgesteld en vastgelegd om broeikasgasemissies te verminderen om zodoende de schadelijke gevolgen van het broeikasgaseffect tegen te gaan. Inmiddels heeft IPCC vijf klimaatrapporten uitgebracht in 1990, 1996, 2001, 2007, 2013 en recent in 2018 [IPCC].

Kyoto protocol. In 1992 werd in Rio de Janeiro, op initiatief van de Verenigde Naties (VN), de eerste grote politieke conferentie gehouden over duurzame ontwikkeling waarbij het probleem van klimaatverandering ook aan de orde kwam. In Rio de Janeiro kwam het eerste internationale klimaatverdrag tot stand. Op basis hiervan werd in 1997 het Kyoto protocol vastgelegd. In dit protocol werden door de industriële landen harde afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen in het jaar 2010 met in totaal 5% te reduceren ten opzichte van het jaar 1990. De Europese landen en ook Rusland hebben dat doel gehaald. Amerika heeft het Kyoto protocol niet ondertekend; daar steeg de broeikasgasemissie in die periode met 20 procent. Het Kyoto protocol liep van 1998 tot 2012. Bij een conferentie in 2009 in Kopenhagen, waar nagenoeg alle regeringsleiders van de wereld aanwezig waren, werd een eerste aanzet voor een nieuw protocol gegeven. Tijdens deze conferentie werd als algemene doelstelling geformuleerd dat de gemiddelde mondiale temperatuur met niet meer dan maximaal 2 oC mag stijgen door de broeikasgasuitstoot als gevolg van menselijke activiteiten. Harde afspraken werden echter niet gemaakt. Vervolgconferenties werden gehouden in 2010 in Mexico (Cancun); in 2011 in Zuid-Afrika (Durban), in 2012 in Qatar (Doha) en in 2013 in Polen (Warschau). Tijdens deze conferenties zijn slechts kleine stappen gezet naar een klimaatakkoord.

Klimaat akkoord Parijs. Een belangrijke stap in de goede richting is gezet tijdens de conferentie van 2015 in Frankrijk (Parijs). Voor het eerst hebben maar liefst 195 landen, waaronder de Verenigde Staten en China, een ambitieuze afspraak gemaakt voor de bestrijding van klimaatverandering. Alle landen hebben klimaatplannen opgesteld om hun broeikasgasemissies na 2020 vrijwillig terug te dringen. De landen hebben afgesproken hun aandeel in het terugdringen van broeikasemissies te leveren met als doel de temperatuurstijging van de aarde niet boven de 2 graden Celsius, ten opzichte van het pre-industriële tijdperk, te laten komen. Het streven is vastgelegd om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graad. De gemaakte afspraken zijn niet bindend, de uitvoering van de plannen is vrijwillig. Tijdens de klimaattop in Bonn, in november 2017, werden de maatregelen verder uitgewerkt. De 195 landen hebben de verplichting opgenomen om periodiek te rapporteren hoe het met hun plannen staat. Verder is vastgelegd dat de landen elke vijf jaar weer bijeenkomen om te beoordelen of de plannen verder moeten worden aangescherpt. Op 4 november 2016 hadden meer dan 55 landen, die samen goed waren voor meer dan 55 procent van de mondiale CO2-uitstoot, het verdrag geratificeerd. Daarmee is klimaatakkoord van Parijs formeel van kracht geworden. Op de klimaattop in Katowice werden eind 2018 richtlijnen afgesproken waarmee het klimaatakkoord van Parijs in 2020 in werking kan treden. In de richtlijnen is vastgelegd hoe de landen gaan bereiken dat de opwarming onder de 2 graden Celsius blijft. De huidige ingediende plannen zijn niet voldoende om de temperatuurstijging onder de 2 graden te houden. Op de tussentijdse klimaattop in september 2019 in New York en op de klimaattop in Madrid in december 2019 is weinig vooruitgang geboekt. Er is alleen afgesproken dat er in 2020, bij de volgende top in Glasgow, nieuwe, ambitieuze, klimaatplannen zullen komen. Deze top is, in verband met het coronavirus, uitgesteld tot eind 2021. In april 2021 is er een online-klimaattop gehouden ter voorbereiding van de top in Glasgow. De Verenigde Staten, de Europese Unie en Groot Brittannië presenteerde aangescherpte plannen om de CO2-uitstoot te verminderen [Volkskrant].

Opwarming aarde. Vastgesteld is dat de gemaakte klimaatafspraken lang niet voldoende zijn om de opwarming te beperken tot 2,0 oC. Zonder de afgesproken maatregelen zou de temperatuurstijging tot boven de 5,0 oC uitkomen. Als de landen zich houden aan de afgesproken maatregelen dan komt de temperatuurstijging in 2100 ergens tussen de 2,6 en 3,1 graden uit. Om de temperatuurstijging tot 2,0 oC respectievelijk tot 1,5 oC te beperken moet de cumulatieve emissie wereldwijd onder 600-1200 GtCO2 respectievelijk 250-400 GtCO2 blijven. Om hieraan te voldoen is een voortvarend klimaatbeleid nodig. Uitgaande van een gelijke wereldwijde emissie per hoofd in 2050 komt de Nederlandse doelstelling op basis van een maximale temperatuurstijging van 2,0 oC neer op een CO2-emissiereductie van 85 tot 99 procent. Bij de huidige daling van de CO2-emissie met ongeveer 0,5 procent per jaar wordt dit doel niet gehaald, daarvoor zou een reductie 2,6 tot 2,8 procent per jaar moeten bedragen. Volgens een rapport van [IEA] wordt de opwarming van de aarde alleen beperkt tot 1,5 oC als er nog in het jaar 2021 gestopt wordt met het zoeken naar nieuwe voorraden olie, gas en kolen. Verder mogen er geen nieuwe kolencentrales worden gebouwd of ze moeten voorzien zijn van CO2-afvang, vanaf 2025 mogen er geen verwarmingsketels in huizen en kantoren worden geplaatst, het aantal elektrische auto's moet verachttienvoudigen, vanaf 2020 moet er wereldwijd jaarlijks 1020 gigawatt aan wind- en zonne-energie worden geplaatst. Om deze doelen te bereiken zijn enorme investering nodig; ongeveer 4100 miljard euro per jaar vanaf 2030. Deze investeringen leveren echter veel werkgelegenheid en economische groei op [Volkskrant], [PBL], [CE Delft].

Ondanks het feit dat de CO2-uitstoot nog onverminderd hoog is begint er zich toch een kentering af te tekenen. Naast de overeenkomst afgesloten in Parijs hebben oliemaatschappijen in Europa verklaard open te staan voor een CO2-tax. Diverse pensioenfondsen overwegen hun investeringen in fossiele brandstoffen te verminderen. De investeringen in duurzame energie nemen sterk toe. Zelfs een grote olieproducent als Saoedi-Arabië staat tegenwoordig positief ten opzichte van zonne-energie. Het land wil in de toekomst een van de grootste producenten van zonne-energie worden [Volkskrant].


Klimaatbeleid in de Europese Unie

Het in december 2019 gepresenteerde klimaatplan, Green Deal, van de Europese Unie, stelt zich ten doel een klimaatneutraal (geen CO2-uitstoot) Europa in 2050. Dit is in lijn met het algemene doel om de temperatuurverhoging op aarde tot 1,5 graad Celsius te beperken. Het plan is om de emissie-eisen voor lichte vrachtwagens en personenwagens aan te scherpen. Er worden laadpalen bijgeplaatst voor elektrische auto's. De scheepvaart moet gaan betalen voor haar CO2-uitstoot en luchtvaartmaatschappijen verliezen een deel van hun gratis CO2-rechten. De industrie moet duurzamer gaan produceren en wordt, via CO2-heffing op producten van buitenlandse, niet-duurzame bedrijven, beschermd tegen oneerlijke concurrentie. Huizen en gebouwen worden energiezuiniger gemaakt. Plannen voor verbetering van de biodiversiteit en de verduurzaming van de landbouw moeten ook bijdragen aan de reductie van de CO2-uitstoot, onder andere door het aanplanten van twee miljard bomen en het herstel van veengebieden. Voorlopig is de Green Deal nog een pakket mooie plannen die nu in concrete maatregelen moeten worden omgezet. De komende twee jaar worden de plannen uitgewerkt en omgezet in wetsvoorstellen die vervolgens door de lidstaten en door het Europees Parlement moeten worden goedgekeurd. Er wordt een overgangsfonds van 100 miljard euro ingezet om regio's, die zwaar worden belast door de omslag naar hernieuwbare energie, tegemoet te komen. Begin 2020 heeft de Europese Commissie een klimaatwet ingediend waarin de klimaatneutraliteit voor 2050 wettelijk en onomkeerbaar wordt vastgelegd. In december van 2020 heeft de Europese Unie besloten om de CO2-uitstoot voor 2030 met 55% te verlagen ten opzichte van 1990. Deze verlaging is nodig om in 2050 klimaatneutraal te kunnen zijn. De verlaging vergt forse investeringen die geraamd worden op 350 miljard per jaar tot 2030. De investeringen zijn nodig voor het opwekken van hernieuwbare energie, de ontwikkeling van schonere auto's en maatregelen voor energiebesparing. De EU in zijn geheel ligt aardig op koers om het klimaatdoel voor 2030, 55% reductie van de CO2-uitstoot, te halen. In 2019 was de uitstoot in de EU ongeveer 3,5 megaton CO2-equivalent, in 1990 was dat nog 5,7 megaton, een afname van 24% [Volkskrant].


Klimaatbeleid in Nederland

Nederland heeft zich voor 2020 drie klimaatdoelen gesteld: een verlaging van de broeikasgasuitstoot met 25% ten opzichte van 1990, het verhogen van het aandeel groene energie als percentage van het totale energieverbruik tot 14% en een verlaging van het totale energieverbruik met 100 petajoule ten opzichte van 2013. Volgens een recente raming van Planbureau voor de Leefomgeving worden deze doelen niet gehaald. De reductie van de broeikasgasuitstoot komt uit op 21%, het aandeel groene energie blijft steken op 12% en de energiebesparing op 81 petajoule [Volkskrant].

In Nederland is midden 2018, na lang onderhandelen door partijen binnen de Tweede Kamer, voor het eerst overeenstemming bereikt om tot een Klimaatwet te komen. Een eerste voorstel voor een Klimaatwet werd in 2008 gepresenteerd door milieuorganisaties in navolging van een Klimaatwet in Groot Brittannië. In 2016 presenteerden de PvdA, D66, de SP en de CU een herschreven klimaatwet. Met de in 2018, door PvdA en GroenLinks, opgestelde Nederlandse Klimaatwet verplicht Nederland zichzelf om in 2030 de CO2-uitstoot met 49 procent en in 2050 met 95 procent te hebben verminderd ten opzichte van 1990. Daarnaast moet in 2050 de elektriciteitsproductie volledig CO2-neutraal zijn. De wet verplicht het kabinet ook om elke vijf jaar met een Klimaatplan te komen en elk jaar met een voortgangsrapportage. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) rapporteert elk jaar hoe het staat met de Nederlandse broeikasgasuitstoot en of het klimaatbeleid nog op schema ligt. In december 2018 stemde een grote meerderheid in de Tweede Kamer voor de wet. In mei 2019 is de wet, eveneens met een grote meerderheid, door de Eerste Kamer aangenomen [Volkskrant].

De Klimaatwet bevat geen concrete maatregelen, die staan in het Klimaatakkoord. Eind 2018 is er een ontwerp-klimaatakkoord ondertekend door de regering en betrokken partijen. Betrokken partijen zijn onder andere de industrie, vakbonden, werkgeversorganisaties, woningbouwverenigingen en andere overheidsorganisaties. De milieuorganisaties hebben hun steun aan het klimaatakkoord opgezegd omdat ze vinden dat de lasten eenzijdig bij de burgers worden neergelegd en het bedrijfsleven wordt ontzien. In het ontwerp-klimaatakkoord zijn plannen ontwikkeld om te komen tot een reductie van de broeikasgasemissies met 49 procent in 2030 ten opzichte van 1990. De ontwikkelde plannen liggen op het gebied van elektriciteit, industrie, mobiliteit, landbouw, veeteelt en de gebouwde omgeving. Het akkoord is doorgerekend door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL heeft de CO2-emissiereductie, de kosten voor de samenleving en de gevolgen voor de koopkracht in kaart gebracht. Op basis daarvan heeft het kabinet besloten om de kostenverdeling tussen bedrijven en huishoudens meer in balans te brengen. In het afgesloten Klimaatakkoord van juni 2019 gebeurt dat onder andere door het instellen van een CO2-belasting voor bedrijven. Deze belasting wordt in 2021 ingevoerd met een vastgestelde CO2-prijs van 30 euro per ton CO2. In de komende jaren wordt de prijs verhoogd tot 125 euro in 2030. Het Centraal Planbureau heeft het effect van deze hogere CO2-prijs onderzocht. De conclusie was dat het maar beperkte economische gevolgen heeft voor bedrijven. Verder moeten per jaar 30- tot 50-duizend woningen aardgasvrij worden opgeleverd. Dit wordt gestimuleerd door een verhoging van de aardgasprijs. De energiebelasting wordt verlaagd. Het rijden in elektrische auto's worden gestimuleerd en het kabinet onderzoekt vormen van rekening rijden. De landbouw en veeteelt moeten hun CO2-uitstoot reduceren. Door al eerder genomen maatregelen leveren elektriciteitsbedrijven een belangrijke bijdrage aan de CO2-emissiereductie, onder andere doordat er minder kolen worden verstookt. De elektriciteitsopwekking via kolen werd deels vervangen door wind- en zonne-energie en deels doordat kolencentrales overstappen op het stoken van biomassa. In het komende jaar wordt geïnvesteerd in waterstofprojecten en in projecten rond de afvang, de opslag, het transport en het hergebruik van CO2. Het PBL heeft deze plannen ook doorgerekend. Daaruit blijkt dat met de huidige plannen de klimaatdoelen niet worden gehaald, er zijn extra maatregelen nodig naast de maatregelen die de regering in het klimaatakkoord heeft aangekondigd. De plannen op gebied van zonnepanelen, zonneboilers, warmtepompen en energieprojecten worden uitgebreid. In EU-verband haalt Nederland de afgesproken doelstelling van 14% hernieuwbare energie niet. Nederland komt waarschijnlijk niet verder dan 11,4%. Om aan de doelstelling te voldoen heeft Nederland duurzame energie ingekocht van Denemarken. Dit land produceert meer duurzame energie dan voor de Deense doelstelling nodig is. In totaal wordt 8 tot 16 terawattuur aan hernieuwbare energie ingekocht, voldoende om de Nederlandse doelstelling van 14% te halen [Volkskrant].

Hoewel de EU in zijn geheel aardig op koers ligt om het klimaatdoel voor 2030, 55% reductie van de CO2-uitstoot, te halen is dat voor Nederland niet het geval. Vergeleken met onze buren (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden) zijn de broeikasgasemissies het minst gedaald en is de emissie van per hoofd van de bevolking is het hoogst [Volkskrant].


Belangrijke technische maatregelen om uitstoot te verminderen

De volgende technische maatregelen spelen een grote rol bij de energietransitie naar een energiesysteem met een lagere uitstoot aan broeikasgassen [Planbureau voor de Leefomgeving].

  • energiebesparing,
  • productie van groene elektriciteit,
  • elektrificatie van het energieverbruik,
  • productie van groene brandstoffen,
  • afvang, opslag en gebruik van kooldioxide.

Energiebesparing is een belangrijke maatregel om snel, en relatief goedkoop, de CO2-uitstoot te verminderen. Er is nog voldoende potentieel bij de consument en de bedrijven om energie te besparen. Energiebesparing wordt onder andere afgedwongen door grenzen aan de uitstoot van apparatuur en installaties op te leggen. Voorbeelden zijn de BENG, de energienorm voor gebouwen, en het voorschrijven van een maximum kooldioxide uitstoot van nieuwe auto's.

Productie van groene elektriciteit. Groene elektriciteit is elektriciteit die geproduceerd is zonder uitstoot van CO2. Deze elektriciteit kan in Nederland in grote hoeveelheden worden geproduceerd met windenergie, zonnepanelen en biomassa. In 2020 groeide de hoeveelheid geproduceerde groene elektriciteit met 40% tot iets meer dan 30 miljard kilowattuur. Ook met kernenergie kan CO2-loze elektriciteit worden geproduceerd, alleen deze elektriciteit is niet bepaald groen gezien de afvalproblematiek.

Elektrificatie van de energieverbruik. Hoe meer groene elektriciteit wordt opgewekt hoe meer deze elektriciteit kan worden gebruikt voor transport (elektrische auto's), bij industriële processen (elektrotechnologie) en voor het verwarmen van bedrijfsruimten en woningen (warmtepompen).

Productie van groene brandstoffen. Als alternatief voor brandstoffen uit olie kunnen ook groene brandstoffen worden geproduceerd uit groene elektriciteit en uit duurzaam geproduceerde biomassa.

Afvang en opslag van kooldioxide. Op plaatsen waar lokaal zeer veel CO2 vrijkomt, kan deze worden afgevangen en opgeslagen (CCS, Carbon Capture and Storage). Dit kan bijvoorbeeld bij elektriciteitscentrales gestookt met steenkool of aardgas, bij raffinaderijen en bij de staalindustrie. De plannen om de CO2-uitstoot van twee nieuwe kolencentrales op de Maasvlakte en een centrale in de Eemshaven af te vangen en vervolgens op te slaan in oude gasvelden in de Noordzee zijn niet doorgezet vanwege de financiële risico's. De CO2-prijs, 5 euro per ton, was in die tijd veel te laag om deze projecten rendabel te maken. Een nieuw plan voor opslag van CO2 in een oud gasveld onder de Noordzee wordt uitgevoerd door Porthos, een samenwerkingsverband van het Havenbedrijf Rotterdam, Gasunie en EBN. Porthos heeft van de Europese Unie 100 miljoen euro subsidie gekregen voor het aanleggen van infrastructuur in de vorm van pijpleidingen, een compressorstation en van de ombouw van een bestaand boorplatform in zee. Met deze voorzieningen zal jaarlijks 2,5 megaton CO2 op worden geslagen. Porthos rekent 40 tot 50 euro per ton CO2 voor opslag, terwijl de werkelijke kosten in 2021 ongeveer 80 euro per ton CO2 zijn. In 2020 is de prijs van een ton CO2 ongeveer 50 euro. Het verschil met 80 euro wordt bijgepast vanuit Nederlandse subsidies. Een andere manier is om CO2 vast te leggen is de aanplant van bomen. Bomen vangen in Nederland 3 tot 4 miljoen CO2 op, ongeveer 2 procent van de totale uitstoot. In het "Actieplan bos" van onder andere het Platform Bio-Energie, De Nederlandse Branchevereniging voor de Timmerindustrie en Staatbosbeheer wordt voorgesteld om meer bos aan te planten. Er zijn verder ideeën om CO2 te binden met olivijn, een mineraal dat bestaat uit magnesium, ijzer en een beetje nikkel. Door water en kooldioxide verweert olivijn en wordt de kooldioxide opgesloten in zout bicarbonaat. Dat slaat in de bodem neer als kalk, daarmee is CO2 uit de atmosfeer verwijderd. Er zijn de afgelopen jaren verschillende proeven genomen met olivijn. Uit al deze proeven blijkt dat olivijn CO2 vastlegt. Bij Deltares in Delft loopt nu een veldproef van twee jaar om het effect van olivijn te meten. In theorie kan 1 kilogram olivijn 1,25 kilo CO2 aan de atmosfeer onttrekken. In IJsland loopt een proef waarbij CO2 wordt geïnjecteerd in basaltlagen. Ook basalt bindt het CO2 in carbonaatmineralen waarbij het CO2 verdwijnt. Een aantal bedrijven bieden CO2 aan die, met een CO2-afvanginstallatie, uit de lucht is gehaald. Afnemers zijn frisdrankfabrikanten en tuinbouwbedrijven. En dan zijn er nog mogelijkheden met geo-engineering. Dit is een verzamelnaam voor technologieën die wereldwijd ingrijpen op het klimaat met als doel de opwarming van de aarde tot staan te brengen. Voorbeelden hiervan zijn massale herbebossing, CO2 op grote schaal uit de lucht halen, ijzerbemesting van oceanen zodat plankton CO2 opneemt, aerosolen in de atmosfeer injecteren om de instraling van de zon te verminderen en ruimtespiegels om zonlicht van de aarde af te reflecteren. De meeste technieken zijn echter in ontwikkeling en op dit moment relatief duur om uit te voeren. Verder is er geen duidelijkheid over eventuele schadelijke bij-effecten van de verschillende technieken. En dan is er nog de vraag; wie gaat bepalen welke maatregel genomen gaat worden [Volkskrant], [NRC].

Gebruik van kooldioxide. Niet alle in Nederland geproduceerde CO2 wordt in de atmosfeer uitgestoten. Een deel van de CO2 geproduceerd door raffinaderijen en elektriciteitscentrales wordt, in Nederland, in de tuinbouw, gebruikt om planten sneller te laten groeien. Zo ligt er een pijpleiding die de CO2, afkomstig van een Shell raffinaderij in Pernis, transporteert naar kassen in het Westland. Daar wordt de CO2 gebruikt om onder andere tomaten te kweken. De afvalenergiecentrale AVR wil CO2 afvangen en dat met vrachtwagens naar kassen in de buurt transporteren. Ook bij de vuilverbrandingsinstallatie in Duiven wordt gewerkt aan een afvanginstallatie voor CO2. Verder zijn er plannen om CO2 te gebruiken als grondstof in productieprocessen. Kooldioxide kan, samen met waterstof, omgezet worden in methanol. Dit kan op zijn beurt weer omgezet worden in een kunststof. Op deze wijze kan CO2 gebruikt worden als grondstof voor het produceren van kunststoffen. Kunststoffabrikant Covestro claimt dat dat zijn matrassen voor 20% afkomstig zijn van hergebruikt CO2. Het onderzoekcentrum van Shell en het onderzoeksinstituut Differ zijn bezig met technieken om CO2 om te zetten in kerosine als vliegtuigbrandstof. KLM heeft inmiddels een lijnvlucht uitgevoerd waarbij de normale kerosine voor een klein deel was vervangen door kerosine uit CO2. Er wordt verder onderzocht of CO2 kan worden omgezet in producten zoals alcohol en benzine. Algen kunnen bijvoorbeeld CO2, met zonlicht en water, omzetten in een waardevol product als melkzuur. Met behulp van zonlicht en katalysatoren kan het fotosynthese proces in planten worden nagebootst. Daarmee kunnen uit CO2 synthetische brandstoffen worden geproduceerd [Volkskrant].

Al deze maatregelen zijn nodig om een aanzienlijke CO2-emissiereductie te verkrijgen. De maatregelen vragen ook om aanzienlijke investeringen in technologie. Verder zijn er aanpassingen nodig aan de infrastructuur, de regelgeving en organisaties [Planbureau voor de Leefomgeving]. Het [IPCC] schat dat de wereldwijde investeringen nodig om de temperatuurstijging tot 1,5 graad te beperken ongeveer 800 miljard euro bedragen. In 2050 moet dan 70 tot 85 procent van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen komen, het aandeel gas in de elektriciteitsvoorziening mag dan nog ongeveer 8 procent zijn en het aandeel kolen 2%. De industrie moet zijn CO2-emissies met 75 tot 90 procent reduceren [Volkskrant].


Financiële maatregelen om uitstoot te verminderen

Er worden ook financiële maatregelen getroffen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Een daarvan is het Europese emissiehandelssysteem, het ETS, (Emission Trading System). Het doel van de emissiehandel is om aan de ene kant, via emissierechten, de broeikasgasuitstoot van installaties binnen het systeem aan een maximum te binden en, aan de andere kant, aan bedrijven de mogelijkheid te bieden deze emissierechten te verhandelen (cap and trade). Voor Nederland is de Nederlandse Emissieautoriteit (NEA) de uitvoeringsorganisatie en de toezichthouder voor de bedrijven die vallen onder het ETS. Als bedrijven meer uitstoten dan hun maximum toelaatbare uitstoot dan moeten de bedrijven emissierechten bijkopen, stoten ze minder uit dan kunnen ze hun rechten verkopen. Dit systeem, om een prijs te verbinden aan de CO2, werkt momenteel niet optimaal omdat er teveel emissierechten in omloop zijn. Daardoor is de prijs, die voor de rechten betaald moet worden, laag. Op het dieptepunt van de economische recessie in 2013 schommelde de prijs rond de vier euro per ton CO2. Het huidige overschot aan emissierechten wordt langzaam uit de markt genomen. Daardoor is de prijs voor de rechten op het uitstoten van een ton CO2 gestegen en ligt nu rond de 30 euro per ton. In de komende jaren moet de prijs, onder invloed van het klimaatplan, Green Deal, van de Europese Unie, oplopen naar 40 euro per ton [Volkskrant].

In Nederland wordt nagedacht over een CO2-belasting; een heffing op CO2-uitstoot. Onder andere Frankrijk, Finland, Ierland en Zwitserland gebruiken CO2-heffingen om de kosten als gevolg van de uitstoot te dekken. In tegenstelling tot het ETS-systeem, van verhandelbare emissierechten, dat alleen voor grote bedrijven geldt, moet de CO2-heffing voor alle bedrijven gaan gelden [Volkskrant].


Algemene maatregelen om uitstoot te verminderen

Hoe kan de vermindering van het verbruik van fossiele energie nu in het algemeen worden aangepakt. Daarvoor biedt de trias energetica plus een methode van aanpak. Uitgaande van een bepaalde energiedienst wordt allereerst onderzocht:

Energie wordt gebruikt om in bepaalde energiediensten te voorzien, bijvoorbeeld om een warm huis te hebben of om ons van A naar B te verplaatsen. Door het toepassen van de trias energetica plus wordt het energieverbruik voor energiediensten verminderd waardoor de emissies van broeikasgassen als gevolg van het fossiele energieverbruik worden gereduceerd of geëlimineerd.